Lotgevallen van het Willibrordorgel



1. P. J. Lucas, Willibrorduskerk te Amsterdam, 1928. Olieverf op doek, 40 x 59 cm.
 Coll. TK.

De voormalige Willibrordus Buiten de Veste, hoek Amsteldijk / Ceintuurbaan.
Op de voorgrond de Amstelbrug, rechts zijaanzicht van de herenhuizen in fraaie architectuur aan het begin van de Ceintuurbaan. In 1900, toen de kerk pas voor de helft voltooid was, aan de Amstelzijde, trad Willem Mengelberg er in het huwelijk met Mathilde Wubbe. Het langschip kwam in 1904 gereed. Een deel van het grote orgel werd in 1922-23 door Joseph Adema geplaatst, in de jaren 1944-49 werd het instrument voltooid.

De silhouetbepalende koepeltoren op de viering moest tot 1924 wachten en werd kleiner uitgevoerd dan het bouwplan beoogde. Aan de andere torens kwam men niet meer toe. De sloop van het enorme gebouw — inwendige lengte meer dan 100 meter — vond plaats in 1969-70.

Olieverf op linnen, r.o. gesigneerd en gedateerd "Lucas '28". Doek (wat craquelé) en lijst zijn gerestaureerd. Lucas heeft mogelijk als steenhouwer aan de ornamentiek van de kerk gewerkt.
  Petrus Johannes Lucas, *4 sept. 1904 te Amsterdam, †10 febr. 1982 te Purmerend, monumentaal kunstenaar, tekenaar, schilder, beeldhouwer, mozaïekmaker, leerling van Willem Molin. Scheen I p. 728, zie ook www.rkd.nl. Werkzame periode na 1919 te Amsterdam, 1967-1977 te Warder (Zeevang).

De westgevel van de kerk werd bekroond door een massief, ietwat lomp kruis. Op de vieringtoren heeft altijd een spits gestaan die eindigde in een ijl gevormd klein kruis, een luchtig staketsel. Verwering en blikseminslag maakten dat het nu en dan gerepareerd moest worden, en daarbij werden vorm en plaatsing (O-W / ZO-NW) kennelijk weleens veranderd. Op zeker moment leek er weinig meer van over te zijn dan een dwarsstang aan de spits. Vanaf straatniveau viel het nauwelijks op. Vele parochianen wisten van dat hoge kruis niet af, het was ze nooit opgevallen. Zie o.a. de diverse historische foto's in de Beeldbank Stadsarchief Amsterdam. Lucas heeft het topkruis misschien wat massiever afgebeeld dan het in 1928 in werkelijkheid was.
Vergelijk de tekening (1943) uit de verzameling van W. S. Kuipers (afb. 3 hieronder).

Brug met Willibrorduskerk

2.  L. Prins, Amstelgracht. Gezicht op de Nieuwe Amstelbrug en de Willibrorduskerk te Amsterdam.


Links onder staat in de marge Amstelgracht. Het betreft hier mogelijk Leendert Klaas Cornelis Prins, Delft 29 oct. 1887 - Hilversum 20 dec. 1957. Ik heb eens een copie gezien die niet volkomen identiek was in het gedeelte op de wallekant.
Prins werkte o.a. te Delft 1905, Hilversum e.o. 1905-1957. Opleiding Rijksakademie van beeldende kunsten (Amsterdam) 1906-1911, leerling van Pieter Dupont. Lithograaf, vervaardiger van houtsnedes, etser, graficus, tekenaar. Lid van de toenmalige Vereniging van Beeldende Kunstenaars te Hilversum.
   De brug (1903) op de tekening werd en wordt meestal de Nieuwe Amstelbrug genoemd, ook wel Ceintuurbaanbrug. Ze is van Berlage, die ook de licht- en trammasten ontwierp. Over de brug begint naast de kerk de Ceintuurbaan. Een kilometertje zuidelijker ligt nog een Berlagebrug over de Amstel, de Berlagebrug, die van de intocht van de Canadezen in 1945, onvergetelijk voor wie erbij was.
   De tekening is door een onbekende na de bevrijding in 1945 geschonken aan Bart van Walderveen, postkantoorhouder toen wonende in Tienhoven, later postdirecteur in Wapenveld, als dank voor hulp aan onderduikers en actief verzetswerk in de streek ten zuiden van Hilversum en Loosdrecht.

 

Tekening van de Willibrorduskerk  1          Inline afbeelding 3  2

3. De vieringtoren vanuit het NW gezien. Tekening, niet gesigneerd, niet gedateerd.

3-1. Winterse tekening van de vieringtoren, uit de verzameling van W. S. Kuipers, waarop het kruis — voorzover mij bekend — in zijn meest volledige vorm afgebeeld is, gezien uit NW richting.
Zie www.verhalenvanvroeger.nl. De jaartallen die bij de afbeeldingen op die site geplaatst zijn kloppen niet altijd. Deze tekening is in 1943, nog geen 20 jaar na de voltooiing van de toren (1924) gemaakt.
Voor meer beeldmateriaal zie de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam.

3-2. De heer W. S. Kuipers schrijft mij : “Bij toeval stuit ik op een potloodtekening van mijn vader op internet, ongesigneerd en ongedateerd. Met zekerheid weet ik dat het 1943 was. Het is het uitzicht vanaf de Tweede Jan vd Heijdenstraat 76 derde etage. Mijn vader is H. A. J. Kuipers. Hij was nachtwaker in de kerk om niet in Duitsland te werk gesteld te worden. Mijn broer en ik waren koorknapen. Dus regelmatige kerkgangers. Ik stuur U een afbeelding van een copy die ik in  bezit heb. Waar het orgineel is weet ik niet. maar het is nog wel te achterhalen. W. S. Kuipers." Deze afbeelding 3-2 is vollediger en duidelijker dan 3-1, ik plaats ze naast elkaar.

4. Tekening uit 1942 van Jan Sluijters jr.

De tekening is te vinden in de Beeldbank Amsterdam.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

       Archivalia in PDF kunnen     hier     gedownload worden.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Geachte heer .........., ik las uw bespreking van Adema 150 jaar orgelbouw in .......... Ik veroorloof mij onderstaand commentaar.

Op pag. 47 van Adema 150 jaar orgelbouw staat te lezen :
"Hubert Schreurs [...] bracht mede op instigatie van de toenmalige adviseur van de Stichting enige dispositiewijzigingen aan die het instrument geschikter zouden moeten maken voor de uitvoering van composities uit de Barok. Ook wijzigde Schreurs, mede op aanwijzing van dezelfde adviseur, de samenstellingen van de mixturen van Hoofdwerk en Positief Expressief en werd er aan dat laatste werk een Cymbel toegevoegd. De Unda Maris van het Reciet Expressief moest het veld ruimen voor een Terts 1 3/5." Die niet genoemde adviseur was uiteraard ondergetekende.
"We weten niet in hoeverre Hubert Schreurs deze wijzigingen uit eigen beweging aanbracht en in hoeverre hij hiertoe werd gedwongen". Ton van Eck schreef dit al eerder, ik heb hem schriftelijk laten weten hoe Schreurs en ik samenwerkten, welk idee van Schreurs en welk idee van mij stamde en welke compromissen we sloten. Hij schreef het nogmaals en ik heb hem nogmaals gecorrigeerd. De man is onverbeterlijk. De rest van de alinea vat ik samen onder : insinueren dat de niet genoemde adviseur van het Will.-orgel een 'Universalorgel' wenste te maken.
Dienaangaande merk ik op dat algemeen bekend mag zijn dat ik mij in woord en daad altijd tegen het verneobarokkiseren van orgels gekant heb, wat geïllustreerd wordt door het feit dat van mij niet één opname uitgebracht is van werk van Sweelinck, Scheidt, Dandrieu, de Grigny, Buxtehude, Bach etc., gespeeld op het Willibrordorgel. Wèl nam ik daar werken van componisten als Franck (Grande Pièce),Widor (Symphonie 8), Reubke, Reger e tutti quanti op. In 1987 herdacht ik het honderdste geboortejaar van Nadia Boulanger met een eerste opname van haar Trois Pièces. Ik neem aan dat u ook bekend is dat ik in 1967 samen met een paar andere Amsterdammers het Will.-orgel gered heb, en de Stichting tot behoud van het Will.-orgel opgericht.

Terug naar pag. 47. Op II is in 1971 een Cymbel geplaatst naar het model van de Mozes, om na het verlies van de Cymbel op III (in 1967 door de Friese zielzorger annex 'orgelbouwer' Eppinga meegenomen vóórdat wij het orgel van hem gekocht hadden) in elk geval een Cymbel in een zwelkast te hebben staan (idee Schreurs + Kramer). Als de via Eppinga verdwenen Cymbel opgespoord zou worden, zou deze, als het aan mij lag, zijn plaats op III weer innemen, en die op II eventueel weer verdwijnen. De Cymbel van Eppinga is echter nooit meer boven water gekomen. Het orgel werd in 1995 rijksmonument. Uitgangspunt voor de restauratie was voor RDMZ de situatie van 1971 met behoud van latere toevoegingen zoals Kroonwerk, Unda Maris, Fagot 32'. — De Stichting tot behoud van het Willibrord-Orgel (SWO) was in 2005 - twee jaar geleden - van plan, de uit de Duifkerk in Amsterdam beschikbaar komende Cymbel (evenals de Eppingacymbel een Septiemcymbel, door Schreurs in 1943 geplaatst) op III in Haarlem te plaatsen. Ton van Eck ventileerde buiten de SWO dat hij daar mordicus op tegen was, maar hield dat voor de SWO verborgen. De Duif-Cymbel is voor ons inderdaad gereserveerd, maar zo grondig apart gelegd dat ze bij Vermeulen of bij Flentrop is 'zoekgeraakt'. Vlak daarna is de Cymbel van II van de Mozes (factuur van Schreurs, ik mocht bij de restauratie in 1955-56 kijken en een beetje 'helpen'), die in de vergadering als vervanging voor de zoekgeraakte Duif-Cymbel was voorgesteld, op eveneens onverklaarbare wijze bij de fa. van Baekel/Adema schielijk en spoorloos 'verdwenen', nog voordat de argwanend geworden stichtingsleden deze Cymbel op een veilige plaats onder konden brengen. We spreken hier over praktijken in de Nederlandse orgelwereld in 2005.
De Unda Maris op III is in 1944 vervangen door een Terts, ik was toen nog een kind en was mijn handen in onschuld. Tijdens mijn adviseurschap is de Unda Maris in Haarlem weer op III teruggekeerd. Als het jubileumboek zulke leugens, als u wilt onjuistheden bevat, mag naar de betrouwbaarheid van info over andere orgels gevraagd worden, met name daar waar Ton van Eck als adviseur is opgetreden. Het vertoog over het Universalorgel rondt van Ecks/van Baekels streven af, de herbouw in 1971 als ondeugdelijk af te schilderen en hun eigen 'restauratie' als degelijk historisch verantwoord te presenteren, en vooral als helend, de verminkingen van Schreurs en Kramer herstellend. Betrouwbaarder informatie over het Will.-orgel dan in dit jubileumboek vindt u in Honderd jaar Adema-orgels uit 1954, door Hubert Schreurs en Piet Visser, pag. 12-15, en in 75 jaar Willibrordusorgel, 1998, door Ted Stijnman, Thijs Kramer en Bernard Bartelink (voor de Unda Maris zie aldaar pag. 20-21 en 42, 46).
In interne rapporten/notities aan de SWO en de RDMZ beweerde van Eck dat ik in 1971 drie hoge Mixturen heb laten toevoegen, dat ik in 1971 een Vox caelestis van III heb verwijderd en meer van zulke simpel te weerleggen enormiteiten.
Als belangrijkste streefpunten van van Eck en van Baekel kunnen beschouwd worden :
-- 1º het plan om I tot een 32' werk te maken ;
-- 2º alle superoctaafkoppels in het hoogste octaaf volledig te bezetten (Adema/Schreurs hadden dat vanwege het gekrijs in de hoogte nagelaten ; de bejaarde Jos Verheijen had er al bezwaar tegen gemaakt. (Verheijen, vroeger organist van Mozes en Concertgebouw, was de oorspronkelijke adviseur voor de bouw, maar is door Theo van der Bijl, de motor achter fondsenwerving en plaatsing, ± 1920 aan de kant gezet wegens gebrek aan inschikkelijkheid) ;
-- 3º de mixturen aanzienlijk te verlagen (10 2/3' vanaf c'' op I) ;
-- 4º de decibellen-output van het instrument drastisch te verhogen.
--1º konden wij van tafel krijgen.
--2º is slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Van Eck / van Baekel wilden het orgel aanpassen aan de komende superoctaven, wij stonden op het standpunt dat de superoctaven, die van Eck er ik meen in 1999 bij de SWO had weten door te drukken, zich moesten aanpassen aan het bestaande orgel.
--3º op dit punt wilde van Eck van geen compromis weten (deelbare Mixturen, of twee Mixturen ; het Hoofdwerk van het Concertgebouw Amsterdam - Maarschalkerweerd - heeft twee Mixturen, de ene zonder 5 1/3', de andere met 5 1/3' vanaf c'').
Wat --4º betreft, van Baekel heeft in juni-juli 2005 zonder medeweten van de Stichting pedaal, I en II zo luid opgefokt, met als gevolg grote onevenwichtigheden, lelijk geïntoneerde individuele pijpen, en niet meer versmeltende brutale grondstemmen (het klankbeeld van met name II is bijna onherkenbaar), dat vier SWO-leden - die kort tevoren met het zoekraken van de Cymbels waren geconfronteerd - begrepen overvallen en bij de neus genomen te zijn. Ze zijn uit de Stichting gestapt, de vierde heeft als burgemeester in oorlogstijd nog iets proberen te redden c.q. bij te sturen maar heeft in 2006 eveneens bedankt. Vier leden bleven aan, onder wie Bernard Bartelink, die nu eenmaal altijd met de wind mee fietst.
Van Baekel beweerde (en hij schreef het waarachtig nog op ook) dat nu de oorspronkelijke sterkteverhouding tussen II en III hersteld was, hoewel alle bestaande geluidsopnamen het tegendeel laten horen. Evenals in Mozes en Concertgebouw is II altijd het zachtere strijkersklavier geweest, III het klavier met de solostemmen. Op II kon poëtisch, 'mystiek' gespeeld en begeleid worden met 16', 8', 4', men kon er ook met aliquoten, mixtuur, sesquialter en tongwerken een behoorlijke plenumregistratie neerzetten.
De vernieling had voorkomen kunnen worden. Tijdens de SWO-vergadering na indiening van de eerste offerte van Adema, en nadat de contouren van van Ecks plannen zich begonnen af te tekenen en vier van de acht SWO-leden zich grote zorgen begonnen te maken, is het aantrekken van een andere orgelbouwer aan de orde gesteld. De voorzitter, mr. Wim Eggenkamp, bekend als directeur van Stadsherstel Amsterdam, verzweeg dat van Straten hem had geadviseerd het werk niet door Adema te laten doen. (Toen het fout liep heeft Eggenkamp dit opgebiecht en zijn excuses gemaakt). Eggenkamp, die overigens niets van orgels weet, bracht bezwaren tegen het vervangen van Adema naar voren die verband hielden met de fondswerving en bezwoer de vergadering van Eck in de hand te zullen houden. Eggenkamp is een gehaaide manager, reden waarom wij aanvankelijk met hem als voorzitter heel blij waren, reden waarom de vergadering accoord ging. Helaas is het tegendeel gebleken, hij heeft van Eck de hand boven het hoofd gehouden. Toen bij toeval eens bleek dat van Eck naar de SWO en naar de RDMZ niet geheel gelijkluidende rapporten stuurde, kwam er van Eggenkamp geen duidelijke reactie. Toen de Cymbels verdwenen evenmin. Eggenkamp liet zich over van Eck in de SWO wel negatief uit, maar trad in feite niet tegen hem op. Naar de motieven voor zijn gedrag kan gegist worden.

Op 24 sept 2005 schreef ik aan het bestuur van de Stichting Willibrordusorgel :
Beste voorzitter en medebestuurders,
na gisteren en vandaag nog een paar mailtjes met Wim te hebben gewisseld, beëindig ik mijn bestuurslidmaatschap van de SWO. Onze opvattingen lopen te zeer uiteen.
   Door in de uitnodiging voor 19 oct. [2005 TK] de aanleiding tot de bijeenkomst te verdoezelen, te weten het op eigen gezag door orgelbouwer en adviseur wijzigen van de intonatie, wordt de genodigden [leden van het kerkbestuur en belangstellende parochianen die een oordeel over de situatie zouden mogen geven] wezenlijke informatie onthouden. Diegene van de "verontrusten" in de SWO die op 19 oct. eventueel het woord wil voeren heeft in feite geen dekking van de verzwakte en verdeelde SWO, maar spreekt à titre privé. Ik peins er niet over op voet van gelijkheid te discussiëren met de honourable men die - alsof het de normaalste zaak van de wereld zou zijn - zonder overleg met de SWO in het orgel aan de slag zijn gegaan en het monument zijn karakter hebben ontnomen, een handelwijze waartegen de SWO geen protest heeft aangetekend. Zie verder mijn vorige e-mails.
   E.e.a. heeft mij het vertrouwen in het toekomstig handelen van de SWO doen verliezen. De Stichting is part of the problem geworden. Dat Wim tevens voorzitter is van de Stichting Kathedrale Basiliek [de werkgever van van Eck, TK] maakt de zaak niet helderder. De onwerkbare situatie en de recente ongehoorde gebeurtenissen - denk eens nuchter aan de 'zoekgeraakte' Cymbels van de Mozes en de Duif - maken dat ik mijn naam niet meer met het restauratieproject verbonden wil zien.
   Rest mij voorzitter en bestuursleden te danken voor al het werk dat u over langere of kortere periode voor het orgel heeft verzet. Een grote prestatie is het financieel mogelijk maken van de restauratie geweest. Helaas is het geld niet allemaal goed besteed. Daarover heerst nu ook binnen de SWO onenigheid. Ooit zal het orgel wel teruggeïntoneerd worden. Intussen zullen velen geloven dat het orgel klinkt zoals zo'n orgel moet klinken, tenzij ze een van de zeer weinige nog in redelijk originele staat zijnde orgels van deze factuur leren kennen. Slecht voor de educatie van enkele generaties orgelstudenten, en je mag hopen dat de aanpak van het Will.-orgel niet bij andere restauraties tot voorbeeld gaat strekken. Hoe dan ook, zulke dingen gebeuren nu eenmaal in de orgelwereld, en daar niet alleen. Mijn beslissing heeft me veel tijd en moeite gekost, maar in het licht van de ten hemel schreiende toestanden die ik in de natuurbescherming en bij de EEG heb aangetroffen en helpen bestrijden neem ik deze zaak filosofisch op en teken na 45 jaar omgang met het Willibrordusorgel,
met vriendelijke groet, Thijs Kramer

Op 26 sept. 2005 schreef ik aan RDMZ :
Geachte heer van Straten,
op 24 sept. j.l. heb ik mijn functie in het bestuur van de Stichting Willibrordusorgel neergelegd (zie onder). Naar u bekend is doen zich bij de restauratie van het grote Ademaorgel in de Kathedrale Basiliek van St. Bavo te Haarlem in stijgende mate moeilijkheden voor die als onregelmatigheden aangemerkt kunnen worden, te weten het eigenmachtig optreden van orgelbouwer van Baekel en adviseur van Eck. De SWO heeft het als stichting opgegeven zich daartegen te weer te stellen, reden voor mijn uittreden.
   De orgelbouwer heeft buiten medeweten van de SWO de intonatie van delen van het orgel gewijzigd en pedaal, I en II (veel) sterker gemaakt. Daardoor is bijvoorbeeld II nu sterker dan III, hetgeen evenals op het verwante orgel van de Mozes en Aäron in Amsterdam nooit het geval is geweest en in de Mozes ook na de jongste restauratie niet het geval is. De orgelbouwer schrijft op 20 aug. 2005 "Thans is bij de 8'-grondstemmen de onderlinge, oplopende sterkteverhouding Reciet Expressief → Positief Expressief [....] weer hersteld" ; er was echter    niets te herstellen.
Ik verzoek u te bevorderen dat de aangebrachte wijzigingen van het karakter van het orgel ongedaan worden gemaakt en er op toe te zien dat de orgelbouwer zich in de volgende restauratiefase beperkt tot wat hem opgedragen is, namelijk het restaureren van het orgel.
   Met vriendelijke groet, dr. Thijs Kramer

In het editiecommentaar bij deel 4 van de orgelwerken van Cor Kint schreef ik onder Orgels uit Kints Amsterdamse tijd, 1906-1940 (p. xxxi) : "Het Adema-orgel in de Amsterdamse Willibrordus buiten de Veste is in 1923 ingespeeld, ofschoon toen nog lang niet alle registers geplaatst waren. [...] Dit orgel, na de afbraak van de Willibrord sinds 1971 in de Kathedrale Basiliek van Sint Bavo in Haarlem, leende zich afgezien van de pneumatiek (in 1971 door electropneumatische tractuur vervangen) uitstekend voor Kints werk van na 1922, na completering niet minder voor Kints eerdere grote werken, door dispositie en intonatie, de zweltreden voor II en III, de balans tussen de werken. Bij de recente 'restauratie' is in de zomer van 2005 het klankbeeld van I, II en pedaal geruïneerd, zijnde tweederde van dit instrument, dat ondanks zijn beschermde status vogelvrij blijkt te zijn (decibellen, no nonsense). Het bestuur van de Stichting tot behoud van het Willibrordorgel - behoud van met name de klank - was vanuit den Haag en uit eigen kring gewaarschuwd, maar is te laat en halfslachtig in actie gekomen. Op herstel ('terugrestaureren') is geen reëel uitzicht. De overgebleven bestuursleden zullen de Stichting wel opheffen en dan ... Wat rest zijn platen, cd's, herinneringen. [...] Intussen zal menigeen geloven dat de genoemde orgels klinken zoals ze behoren te klinken. Slechte zaak voor de educatie van orgelstudenten en luisteraars, kortom voor de orgelkunst.

Ik bezit het een en ander, maar over een geordend SWO-archief, houdende brieven, e-mails, notulen en excerpten daarvan, chronologisch gerangschikt uit de betreffende periode beschikt de heer Hans Evers : J.G.J. Evers, Jacob Melkmanstraat 28, 1063 GM Amsterdam, 020 6148554, jgj.evers@hccnet.nl

Ik word 69 jaar, werk nog hard, maar heb in de loop van de laatste jaren onprettige of tijdverspillende, uiteindelijk nutteloze werkzaamheden (SWO) verruild voor prettigere en beter renderende. Alleen als van Eck en van Baekel van dit project afgehaald zouden worden, zou ik mogelijk nog iets voor het instrument kunnen betekenen.

Bij wijze van p.s. : het transeptorgel uit de Willibrordus is in Laren naar mijn mening niet als "reconstructie" bedoeld, maar als nieuw orgel, onder gebruikmaking van pijpwerk en speeltafel van het transeptorgel, waarvan de hanglamp boven de speeltafel, de buitenzijde groen-, de binnenzijde witgelaagd, de laptop waarop ik nu tik beschijnt.

Met vriendelijke groet en dank voor uw aandacht,
Thijs Kramer

Wordt vervolgd.

- - -- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Jaren geleden zette ik voor de zoveelste keer het Halleluja in Händels Messiah in, toen bij de eerste noten van de eerste violen ineens het begin van het jongenskoor in het openingskoor van Bachs Matthäus-Passion door mijn hoofd schoot. Het motief van Händel heeft dezelfde intervalwendingen als het koraal O Lamm Gottes unschuldig (nvb 1). En het zal wel toeval zijn, maar het tweede motief van het Halleluja volgt de tweede regel van het koraal, al zijn tekst en ritme natuurlijk verschillend (nvb 2).