Lotgevallen van het Willibrordorgel



1. P. J. Lucas, Willibrorduskerk te Amsterdam, 1928. Olieverf op doek, 40 x 59 cm.
 
Coll. TK.

De voormalige Willibrordus Buiten de Veste, hoek Amsteldijk / Ceintuurbaan.
Op de voorgrond de Amstelbrug, rechts zijaanzicht van de herenhuizen in fraaie architectuur aan het begin van de Ceintuurbaan. In 1900, toen de kerk pas voor de helft voltooid was, aan de Amstelzijde, trad Willem Mengelberg er in het huwelijk met Mathilde Wubbe. Het langschip kwam in 1904 gereed. Een deel van het grote orgel werd in 1922-23 door Joseph Adema geplaatst, in de jaren 1944-49 werd het instrument voltooid.

De silhouetbepalende koepeltoren op de viering moest tot 1924 wachten en werd kleiner uitgevoerd dan het bouwplan beoogde. Aan de andere torens kwam men niet meer toe. De sloop van het enorme gebouw — inwendige lengte meer dan 100 meter, breedte > 50 m — vond plaats in 1969-71.

Olieverf op linnen, r.o. gesigneerd en gedateerd "Lucas '28". Doek (wat craquelé) en lijst zijn gerestaureerd. Lucas heeft mogelijk als steenhouwer aan de ornamentiek van de kerk gewerkt.
    Petrus Johannes Lucas, *4 sept. 1904 te Amsterdam, †10 febr. 1982 te Purmerend, was monumentaal kunstenaar, tekenaar, schilder, beeldhouwer, mozaïekmaker, leerling van Willem Molin. Scheen I p. 728, zie ook www.rkd.nl. Werkzame periode na 1919 te Amsterdam, 1967-1977 te Warder (Zeevang).

De westgevel van de kerk werd bekroond door een massief, ietwat lomp kruis. Op de vieringtoren heeft altijd een spits gestaan die eindigde in een ijl gevormd klein kruis, een luchtig staketsel. Verwering en blikseminslag maakten dat het nu en dan gerepareerd moest worden, en daarbij werden vorm en plaatsing (O-W / ZO-NW) kennelijk weleens veranderd. Op zeker moment leek er weinig meer van over te zijn dan een dwarsstang aan de spits. Vanaf straatniveau viel het nauwelijks op. Vele parochianen wisten van dat hoge kruis niet af, het was ze nooit opgevallen. Zie o.a. de diverse historische foto's in de Beeldbank Stadsarchief Amsterdam. Lucas heeft het topkruis misschien wat massiever afgebeeld dan het in 1928 in werkelijkheid was.
Vergelijk de tekening (1943) uit de verzameling van W. S. Kuipers (afb. 3 hieronder).

Brug met Willibrorduskerk

2.  L. Prins, Amstelgracht. Gezicht op de Nieuwe Amstelbrug en de Willibrorduskerk te Amsterdam.
Coll. TK.
Links onder staat in de marge Amstelgracht. Het betreft hier mogelijk Leendert Klaas Cornelis Prins, Delft 29 oct. 1887 - Hilversum 20 dec. 1957. Ik heb eens een copie gezien die niet volkomen identiek was in het gedeelte op de wallekant.
Prins werkte o.a. te Delft 1905, Hilversum e.o. 1905-1957. Opleiding Rijksakademie van beeldende kunsten (Amsterdam) 1906-1911, leerling van Pieter Dupont. Lithograaf, vervaardiger van houtsnedes, etser, graficus, tekenaar. Lid van de toenmalige Vereniging van Beeldende Kunstenaars te Hilversum.
   De brug (1903) op de tekening werd en wordt meestal de Nieuwe Amstelbrug genoemd, ook wel Ceintuurbaanbrug. Ze is van Berlage, die ook de licht- en trammasten ontwierp. Over de brug begint naast de kerk de Ceintuurbaan. Een kilometertje zuidelijker ligt nog een Berlagebrug over de Amstel, de Berlagebrug, die van de intocht van de Canadezen in 1945, onvergetelijk voor wie erbij was.
   De tekening is door een onbekende na de bevrijding in 1945 geschonken aan Bart van Walderveen, postkantoorhouder toen wonende in Tienhoven, later postdirecteur in Wapenveld, als dank voor hulp aan onderduikers en actief verzetswerk in de streek ten zuiden van Hilversum en Loosdrecht.

 

Tekening van de Willibrorduskerk       Inline afbeelding 3

3. De vieringtoren vanuit het NW gezien. Tekening, niet gesigneerd, niet gedateerd.

3-1. Winterse tekening van de vieringtoren, uit de verzameling van W. S. Kuipers, waarop het kruis — voorzover mij bekend — in zijn meest volledige vorm afgebeeld is, gezien uit NW richting.
Zie www.verhalenvanvroeger.nl. (site nu onvindbaar). De jaartallen die bij de afbeeldingen op die site geplaatst zijn kloppen niet altijd. Deze tekening is in 1943, nog geen 20 jaar na de voltooiing van de toren (1924) gemaakt.
Voor meer beeldmateriaal zie de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam.

3-2. De heer W. S. Kuipers schrijft mij : “Bij toeval stuit ik op een potloodtekening van mijn vader op internet, ongesigneerd en ongedateerd. Met zekerheid weet ik dat het 1943 was. Het is het uitzicht vanaf de Tweede Jan vd Heijdenstraat 76 derde etage. Mijn vader is H. A. J. Kuipers. Hij was nachtwaker in de kerk om niet in Duitsland te werk gesteld te worden. Mijn broer en ik waren koorknapen. Dus regelmatige kerkgangers. Ik stuur U een afbeelding van een copy die ik in  bezit heb. Waar het orgineel is weet ik niet. maar het is nog wel te achterhalen. W. S. Kuipers." Deze afbeelding 3-2 is vollediger en duidelijker dan 3-1, ik plaats ze naast elkaar.

4. Tekening uit 1942 van Jan Sluijters jr.

De tekening is ★ via deze link ★ te vinden in de Beeldbank Amsterdam.

5. Grepen uit de historie van het Schreurs-Adema-Orgel.

Kan ★ hier ★ gedownload worden.

1923 : Het orgel wordt geplaatst door Joseph Adema. Van een aantal stemmen, met name de tongwerken, is het pijpwerk nog niet geplaatst. Ook is het front nog niet aanwezig.
1924 : Enkele tongwerken uit het atelier van Masure (Parijs) worden geplaatst.
1926 : Het orgelfront wordt afgebouwd. Geplaatst worden het restant van de Prestant 16' (discant dubbelkorig), een Diapason 8' (dik geintoneerde wijde Prestant op hoge winddruk op de sleep van de Ripiëno).
1944 : Het dubbelkoor van de Prestant 16' en de Diapason 8' worden verwijderd. De Unda Maris wordt vervangen door een Terts 1 3/5 vanaf klein c. De werkzaamheden worden uitgevoerd door Hubert Schreurs.
1949 : Adema's kerkorgelbouw van 1854, H. Schreurs : Afbouw van het orgel, hierbij worden tongwerken van Masure (Parijs) geplaatst.

——————————————
6. St. Willibrord "Kathedraal" buiten de Veste -- Luidklokken.

image.png
image.png
image.png
  image.png

                                                                          De Maasbode 24 juli 1924

Sasha Lavell schrijft op www.mooistegeslooptekerk.nl :
Ik groeide op aan de Ceintuurbaan 229, schuin tegenover de Willibrorduskerk.  We woonden daar van 1960 tot 1969. Ik had een kamertje aan de straat en op zondagmorgen werd ik gewekt door het klokgelui. Ik lag dan op mijn knieën op bed, kin op de vensterbank te kijken naar al die mensen die daar naar binnen stroomden en vroeg me als achterkleinkind, kleinkind en kind van atheïsten af wat ze daar deden.
Misschien hoorde ze de klokken van de Oranjeherk of de Vredeskerk.

Cuypers zelf betreurde het ontbreken van klokken in de twee (lage) torens bij de ingang :

image.png

★ Beluister ★ hier het gelui van de (veronderstelde) zeven klokken van de "Kathedraal aan den Amstel. Grootste neo-gothische Kerk van Nederland." Zeven klokken van die sterkte en zwaarte had de kerk in elk geval niet. TradOrg geeft D0 - G0 - B0 - D1 - E1 - Fis1 - G1 — Dat is een fantasieproduct, want het oorspronkelijk gelui is onbekend. Op het gehoor afgaand zou D1 als C1 aangegeven moeten worden.
De onderstaande conversatie staat op YouTube helemaal onderaan dat filmpje met het klokkengelui :
Waar zijn de klokken heengegaan nadat de kerk gesloopt is ?

TradOrganist   Ze heeft nooit klokken gehad.
HollHits   Wat is er dan te horen in deze video?
LRruben   TradOrganist heeft een simulatie gemaakt, dus ik denk dat het in het echt nooit zo geklonken heeft.
HollHits   Klinkt niet slecht.

Dat in de vieringtoren een klein aantal losse buisklokken heeft gestaan, is mogelijk. De Apasskaya toren bij het Kremlin bijv. heeft een groot buisklokkenspel. Ik kan me niet voorstellen dat niet ergens bij de uitgang van de Willibrord een luidklokje (de doodsklok) na een uitvaartdienst klonk. De uitlui, met een of meerdere klokken wanneer de kist de kerk uit werd gedragen. .In verschillende kerken werd tegelijkertijd het In paradisum gezongen. Dan moest de organist voor het In paradisum een toonaard kiezen die paste bij de klok of klokken.

Feit is dat Ellen Klomp het parochie-archief, bewaard in het Stadsarchief van Amsterdam, blz na blz doorgespit heeft ; notulen van de vergaderingen van het kerkbestuur, kasboeken, rekeningen en kwitanties, maar geen woord over klokken. Geen plannen, geen offertes, geen betalingen, niets. Uit de jaren dat ik daar organist was kan ik me geen klokgelui herinneren.
   Het boek Rooms-katholieke kerken in Amsterdam, 1306-1935 (2002) van Simon van Blokland geeft o.a. een overzicht van de torenhoogtes, de orgels en de klokken met hun klokkengieters van deze kerken. In het hoofdstuk 'Klokkeninformatie' komt de St. Willibrordus buiten de Veste niet voor. Herman Wesselink, de schrijver van de dissertatie Een sterke toren in het midden der stad. Verleden, heden en toekomst van bedreigde Nederlandse kerkgebouwen' kon in een telefoongesprek geen enkele aanwijzing voor de aanwezigheid van een of meerdere klokken in de Willibrord noemen..

Toen het langschip van de kerk gesloten was, werd nog wel gekerkt in het ruime portaal onder het achterorgel. De begrafenisondernemer A. de Jong die 'alles' van de Willibrord weet, is er zeker van dat het bij de uitvaarten die hij er heeft verzorgd doodstil was. In de gesloopte Magdalena werd het z.g. Angelusklokje gebruikt. Maar in de Willibrord was geen hangende klok, geen staande klok, geen handklok te horen. en dat terwijl de luidklok sinds 1169 officieel opgenomen was in het rooms-katholieke kerkrecht. Daarin werd voorgeschreven dat iedere kerk of openbare kapel een klok moest bezitten om de gelovigen op te kunnen roepen tot gebed of kerkdienst. Later kwamen daar openbare functies bij.

In 1968 liet het kerkbestuur ter vervanging van de gesloopte Willibrord een multifunctioneel gebouw aan de Van Ostadestraat 270 neerzetten, De Hoeksteen, waarin ook de pastorie, een wijkcentrum en enkele woningen een plaats vonden. In jan. 1980 zijn - o ironie! - twaalf bronzen carillonklokken besteld bij de Koninklijke Klokkengieterij "Petit & Fritsen b.v." Deze zijn inclusief elektro-automatisch bandspeelwerk bovenop de noordelijke wand van het gebouw geplaatst, hoewel het kerkbestuur al in 1973 van het onpraktische gebouw af wilde. Van 1994 tot 2008 huisde er de All Saints Church, het stond toen bekend als het Afrikahuis. In 2009 werd de kerkfunctie opgeheven. Het gebouw kwam leeg te staan en werd niet meer onderhouden. In 2017 stond het nog steeds te koop maar niemand wilde het afstotend lelijke bouwsel hebben. Er zit nu een maatschappelijke organisatie voor spaanstalige immigranten in en heet Casa Migrante. De parochie als zodanig bestaat niet meer.

7. Interviews Godfried Bomans 1968-69.

In 1968/69 is op de televisie een interview te zien geweest van Hans Wortelboer met Godfried Bomans in de toen leeggehaalde en onttakelde Willibrordus. Zie hier. ★ Gedigitaliseerd. Niet volledig, er is flink in geknipt.

8. Kerkafbraak 1968.

Kerkafbraak. Medewerkenden: Godfried Bomans, Thijs Kramer, Theo v.d. Bijl. Samenstelling en regie: Hans Wortelboer. ★ Kerkafbraak. ★ Gedigitaliseerd. Uitgezonden op 25 april 1968 op Ned 2 bij de KRO.
KRO-RKK :
“ Helaas kunnen we dit materiaal niet online aanbieden vanwege auteursrechtelijke beperkingen. Wil je het toch bekijken?
Als het gedigitaliseerd is, kan dat op werkdagen bij de klantenservice van Beeld en Geluid.

Zie ook Kerkafbraak, uitgave: Katholieke Radio Omroep, Perszaken en Publiciteit, [Hilversum], [1968], 10 blz., aan één zijde bedrukt, + 1 blad met foto.

9. Film / video met Theo van der Bijl e.a.

Is nog niet boven water. Een paar fragmenten eruit zijn in Kerkafbraak gemonteerd.

Zonder Ben van Oostrum, die het orgel in de nachtelijke vrieskou speelbaar hield, waren de grammofoonplaat ("de zwarte plaat") en andere opnamen niet tot stand gekomen. Voor Leo Dijns, die na moeizame trial en error zijn microfoons meesterlijk dwarsscheeps opgehangen had, geldt hetzelfde.


Het gildeboek; tijdschrift voor kerkelijke kunst en oudheidkunde 1921-09

                        ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆

Geachte heer .........., ik las uw bespreking van Adema 150 jaar orgelbouw in .......... Ik veroorloof mij onderstaand commentaar.

Op pag. 47 van Adema 150 jaar orgelbouw (Timmer, V.H.M., e.a. 2006) staat te lezen :
"Hubert Schreurs [...] bracht mede op instigatie van de toenmalige adviseur van de Stichting enige dispositiewijzigingen aan die het instrument geschikter zouden moeten maken voor de uitvoering van composities uit de Barok. Ook wijzigde Schreurs, mede op aanwijzing van dezelfde adviseur, de samenstellingen van de mixturen van Hoofdwerk en Positief Expressief en werd er aan dat laatste werk een Cymbel toegevoegd. De Unda Maris van het Reciet Expressief moest het veld ruimen voor een Terts 1 3/5." Die niet genoemde adviseur was uiteraard Thijs Kramer.
  "We weten niet in hoeverre Hubert Schreurs deze wijzigingen uit eigen beweging aanbracht en in hoeverre hij hiertoe werd gedwongen". Ton van Eck schreef dit al eerder, ik heb hem schriftelijk laten weten hoe Schreurs en ik samenwerkten, welk idee van Schreurs en welk idee van mij stamde en welke compromissen we sloten. Hij schreef het nogmaals en ik heb hem nogmaals gecorrigeerd. De man is onverbeterlijk. De rest van de alinea vat ik samen onder : insinueren dat de niet genoemde adviseur van het Will.-orgel een 'Universalorgel' wenste te maken.
Dienaangaande merk ik op dat algemeen bekend mag zijn dat ik mij in woord en daad altijd tegen het verneobarokkiseren van orgels gekant heb, wat geïllustreerd wordt door het feit dat van mij niet één opname uitgebracht is van werk van Sweelinck, Scheidt, Dandrieu, de Grigny, Buxtehude, Bach etc., gespeeld op het Willibrordorgel. Wèl nam ik daar werken van componisten als Franck (Grande Pièce),Widor (Symphonie 8), Reubke, Reger e tutti quanti op. In 1987 herdacht ik het honderdste geboortejaar van Nadia Boulanger met een eerste opname van haar Trois Pièces. Ik neem aan dat u ook bekend is dat ik in 1967 samen met een paar andere Amsterdammers het Will.-orgel gered heb, en de Stichting tot behoud van het Will.-orgel opgericht.

Terug naar pag. 47. Op II is in 1971 een Cymbel geplaatst naar het model van de Mozes, om na het verlies van de Cymbel op III (in 1967 door de Friese zielzorger annex 'orgelbouwer' Eppinga meegenomen vóórdat wij het orgel van hem gekocht hadden) in elk geval een Cymbel in een zwelkast te hebben staan (idee Schreurs + Kramer). Als de via Eppinga verdwenen Cymbel opgespoord zou worden, zou deze, als het aan mij lag, zijn plaats op III weer innemen, en die op II eventueel weer verdwijnen. De Cymbel van Eppinga is echter nooit meer boven water gekomen. Het was een septiemcymbel, en ik zou kunnen huilen bij de gedachte dat ik de laatste fuga in de Sonate van Reubke nooit meer die klankkleur kan geven die gelukkig op de plaat behouden is. - Het orgel werd in 1995 rijksmonument. Uitgangspunt voor de restauratie was voor RDMZ de situatie van 1971 met behoud van latere toevoegingen zoals Kroonwerk, Unda Maris, Fagot 32'. — De Stichting tot behoud van het Willibrord-Orgel (SWO) was in 2005 - twee jaar geleden - van plan, de uit de Duifkerk in Amsterdam beschikbaar komende Cymbel (evenals de Eppingacymbel een Septiemcymbel, door Schreurs in 1943 geplaatst) op III in Haarlem te plaatsen. Ton van Eck ventileerde buiten de SWO dat hij daar mordicus op tegen was, maar hield dat voor de SWO verborgen. De Duif-Cymbel is voor ons inderdaad gereserveerd, maar zo grondig apart gelegd dat ze bij Vermeulen of bij Flentrop is 'zoekgeraakt'. Vlak daarna is de Cymbel van II van de Mozes (factuur van Schreurs, ik mocht bij de restauratie in 1955-56 kijken en een beetje 'helpen'), die in de vergadering als vervanging voor de zoekgeraakte Duif-Cymbel was voorgesteld, op eveneens onverklaarbare wijze bij de fa. van Baekel/Adema schielijk en spoorloos 'verdwenen', nog voordat de argwanend geworden stichtingsleden deze Cymbel op een veilige plaats onder konden brengen. We spreken hier over praktijken in de Nederlandse orgelwereld in 2005.
  De Unda Maris op III is in 1944 vervangen door een Terts, ik was toen nog een kind en was mijn handen in onschuld. Tijdens mijn adviseurschap is de Unda Maris in Haarlem weer op III teruggekeerd. Als het jubileumboek zulke leugens, als u wilt onjuistheden bevat, mag naar de betrouwbaarheid van info over andere orgels gevraagd worden, met name daar waar Ton van Eck als adviseur is opgetreden. Het vertoog over het Universalorgel rondt van Ecks/van Baekels streven af, de herbouw in 1971 als ondeugdelijk af te schilderen en hun eigen 'restauratie' als degelijk historisch verantwoord te presenteren, en vooral als helend, de verminkingen van Schreurs en Kramer herstellend. Betrouwbaarder informatie over het Will.-orgel dan in dit jubileumboek vindt u in Honderd jaar Adema-orgels uit 1954, door Hubert Schreurs en Piet Visser, pag. 12-15, en in 75 jaar Willibrordusorgel, 1998, door Ted Stijnman, Thijs Kramer en Bernard Bartelink (voor de Unda Maris zie aldaar pag. 20-21 en 42, 46).
  In interne rapporten/notities aan de SWO en de RDMZ beweerde van Eck dat ik in 1971 drie hoge Mixturen heb laten toevoegen, dat ik in 1971 een Vox caelestis van III heb verwijderd en meer van zulke simpel te weerleggen leugens.

De N.K.O. deelt haar bevindingen over de technische en esthetische [!} tpestand van het Concertgebouworgel mee in een brief van haar secretaris A. Bouman d.d. 3 februari 1947. Bouman zegt 1962 in een commentaar op zijn brief van 1947 nog eens dat sinds Jos Verheyen de ideeën totaal veranderd zijn en citeert Verheyen die in zijn boek over het Concertgebouw-orgel53 zegt dat het het voornaamste was eerder eene groote volheid dan eene groote schittering van toon te verkrijgen. Verheyens vaststelling komt overeen met de opvattingen van Maarschalkerweerd, die in zijn Over Orgels(zie 2.1) stelt dat de achtvoets-grondstemmen in de orgelklank de voornaamste zijn. Over Verheyens opmerking zegt Bouman: deze uitlating staat wel diametraal tegenover het klassieke orgel-ideaal en de tegenwoordige neobarok-richting. Precies: wat Bouman en de zijnen wilden was het omgekeerde van hetgeen Verheyen, Maarschalkerweerd en de hunnen voor ogen stond, namelijk eerder een grote schittering dan een grote volheid van toon. Hiermee is de essentiële tegenstelling tussen de negentiende-eeuwse en de twintigste-eeuwse orgelesthetiek in de kern geformuleerd. Het trieste is nu dat dit Concertgebouw-orgel, evenals zoveel andere instrumenten, slachtoffer moest worden van deze paradigma-clash, dus van fundamenteel onbegrip.
          – Paul Houdijk, Maarschalkerweerd en Zoon in kerkorgels gepubliceerd op www.paulhoudijk.
          Deel 1 - versie 28 aug 2008.

Kort gezegd : het gaat over de tegenstelling tussen Mischklang en Spaltklang. De Spaltklang was onderdeel van de agressieve ideologie van de Orgelbewegung (1933, terug naar het zuiver arische orgel) en de naoorlogse neobarok, die vele historische pracht-instrumenten vernield hebben.

Als belangrijkste streefpunten van van Eck en van Baekel kunnen beschouwd worden :
-- 1º het plan om I tot een 32' werk te maken ;
-- 2º alle superoctaafkoppels in het hoogste octaaf volledig te bezetten (Adema/Schreurs hadden dat vanwege het gekrijs in de hoogte nagelaten ; de bejaarde Jos Verheijen had er al bezwaar tegen gemaakt. (Verheijen, vroeger organist van Mozes en Concertgebouw, was de oorspronkelijke adviseur voor de bouw, maar is door Theo van der Bijl, de motor achter fondsenwerving en plaatsing, ± 1920 aan de kant gezet wegens gebrek aan inschikkelijkheid) ;
-- 3º de mixturen aanzienlijk te verlagen (10 2/3' vanaf c'' op I) ;
-- 4º de decibellen-output van het instrument drastisch te verhogen.
--1º konden wij van tafel krijgen.
--2º is slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Van Eck / van Baekel wilden het orgel aanpassen aan de komende superoctaven, wij stonden op het standpunt dat de superoctaven, die van Eck er ik meen in 1999 bij de SWO had weten door te drukken, zich moesten aanpassen aan het bestaande orgel.
--3º op dit punt wilde van Eck van geen compromis weten (deelbare Mixturen, of twee Mixturen ; het Hoofdwerk van het Concertgebouw Amsterdam - Maarschalkerweerd - heeft twee Mixturen, de ene zonder 5 1/3', de andere met 5 1/3' vanaf c'').
Wat --4º betreft, van Baekel heeft in juni-juli 2005 zonder medeweten van de Stichting pedaal, I en II zo luid opgefokt, met als gevolg grote onevenwichtigheden, lelijk geïntoneerde individuele pijpen, en niet meer versmeltende brutale grondstemmen (het klankbeeld van met name II is bijna onherkenbaar), dat vier SWO-leden - die kort tevoren met het 'zoek'raken van de Cymbels waren geconfronteerd - begrepen overvallen en bij de neus genomen te zijn. Ze zijn uit de Stichting gestapt, de vierde heeft als burgemeester in oorlogstijd nog iets proberen te redden c.q. bij te sturen maar heeft in 2006 eveneens bedankt. Vier leden bleven aan, onder wie Bernard Bartelink, die nu eenmaal altijd met de wind mee fietst.
Van Baekel beweerde (en hij schreef het waarachtig nog op ook) dat nu de oorspronkelijke sterkteverhouding tussen II en III hersteld was, hoewel alle bestaande geluidsopnamen het tegendeel laten horen. Evenals in Mozes en Concertgebouw is II altijd het zachtere strijkersklavier geweest, III het klavier met de solostemmen. Op II kon poëtisch, 'mystiek' gespeeld en begeleid worden met 16', 8', 4', men kon er ook met aliquoten, mixtuur, sesquialter en tongwerken een behoorlijke plenumregistratie neerzetten.
De vernieling had voorkomen kunnen worden. Tijdens de SWO-vergadering na indiening van de eerste offerte van Adema, en nadat de contouren van van Ecks plannen zich begonnen af te tekenen en vier van de acht SWO-leden zich grote zorgen begonnen te maken, is het aantrekken van een andere orgelbouwer aan de orde gesteld. De voorzitter, mr. Wim Eggenkamp, bekend als directeur van Stadsherstel Amsterdam, verzweeg dat van Straten hem had geadviseerd het werk niet door Adema te laten doen. (Toen het fout liep heeft Eggenkamp dit opgebiecht en zijn excuses gemaakt). Eggenkamp, die overigens niets van orgels weet, bracht bezwaren tegen het vervangen van Adema naar voren die verband hielden met de fondswerving en bezwoer de vergadering van Eck in de hand te zullen houden. Eggenkamp is een gehaaide manager, reden waarom wij aanvankelijk met hem als voorzitter heel blij waren, reden waarom de vergadering accoord ging. Helaas is het tegendeel gebleken, hij heeft van Eck de hand boven het hoofd gehouden. Toen bij toeval eens bleek dat van Eck naar de SWO en naar de RDMZ niet geheel gelijkluidende rapporten stuurde, kwam er van Eggenkamp geen duidelijke reactie. Toen de Cymbels verdwenen evenmin. Eggenkamp liet zich over van Eck in de SWO wel negatief uit, maar trad in feite niet tegen hem op. Naar de motieven voor zijn gedrag kan gegist worden.

Op 24 sept 2005 schreef ik aan het bestuur van de Stichting Willibrordusorgel :
Beste voorzitter en medebestuurders,
na gisteren en vandaag nog een paar mailtjes met Wim te hebben gewisseld, beëindig ik mijn bestuurslidmaatschap van de SWO. Onze opvattingen lopen te zeer uiteen.
   Door in de uitnodiging voor 19 oct. [2005 TK] de aanleiding tot de bijeenkomst te verdoezelen, te weten het op eigen gezag door orgelbouwer en adviseur wijzigen van de intonatie, wordt de genodigden [leden van het kerkbestuur en belangstellende parochianen die een oordeel over de situatie zouden mogen geven] wezenlijke informatie onthouden. Diegene van de "verontrusten" in de SWO die op 19 oct. eventueel het woord wil voeren heeft in feite geen dekking van de verzwakte en verdeelde SWO, maar spreekt à titre privé. Ik peins er niet over op voet van gelijkheid te discussiëren met de honourable men die - alsof het de normaalste zaak van de wereld zou zijn - zonder overleg met de SWO in het orgel aan de slag zijn gegaan en het monument zijn karakter hebben ontnomen, een handelwijze waartegen de SWO geen protest heeft aangetekend. Zie verder mijn vorige e-mails.
   E.e.a. heeft mij het vertrouwen in het toekomstig handelen van de SWO doen verliezen. De Stichting is part of the problem geworden. Dat Wim tevens voorzitter is van de Stichting Kathedrale Basiliek [de werkgever van van Eck, TK] maakt de zaak niet helderder. De onwerkbare situatie en de recente ongehoorde gebeurtenissen - denk eens nuchter aan de 'zoekgeraakte' Cymbels van de Mozes en de Duif - maken dat ik mijn naam niet meer met het restauratieproject verbonden wil zien.
   Rest mij voorzitter en bestuursleden te danken voor al het werk dat u over langere of kortere periode voor het orgel heeft verzet. Een grote prestatie is het financieel mogelijk maken van de restauratie geweest. Helaas is het geld niet allemaal goed besteed. Daarover heerst nu ook binnen de SWO onenigheid. Ooit zal het orgel wel teruggeïntoneerd worden. Intussen zullen velen geloven dat het orgel klinkt zoals zo'n orgel moet klinken, tenzij ze een van de zeer weinige nog in redelijk originele staat zijnde orgels van deze factuur leren kennen. Slecht voor de educatie van enkele generaties orgelstudenten, en je mag hopen dat de aanpak van het Will.-orgel niet bij andere restauraties tot voorbeeld gaat strekken. Hoe dan ook, zulke dingen gebeuren nu eenmaal in de orgelwereld, en daar niet alleen. Mijn beslissing heeft me veel tijd en moeite gekost, maar in het licht van de ten hemel schreiende toestanden die ik in de natuurbescherming en bij de EEG heb aangetroffen en helpen bestrijden neem ik deze zaak filosofisch op en teken na 45 jaar omgang met het Willibrordusorgel,
met vriendelijke groet, Thijs Kramer

Op 26 sept. 2005 schreef ik aan RDMZ :
Geachte heer van Straten,
op 24 sept. j.l. heb ik mijn functie in het bestuur van de Stichting Willibrordusorgel neergelegd (zie onder). Naar u bekend is doen zich bij de restauratie van het grote Ademaorgel in de Kathedrale Basiliek van St. Bavo te Haarlem in stijgende mate moeilijkheden voor die als onregelmatigheden aangemerkt kunnen worden, te weten het eigenmachtig optreden van orgelbouwer van Baekel en adviseur van Eck. De SWO heeft het als stichting opgegeven zich daartegen te weer te stellen, reden voor mijn uittreden.
   De orgelbouwer heeft buiten medeweten van de SWO de intonatie van delen van het orgel gewijzigd en pedaal, I en II (veel) sterker gemaakt. Daardoor is bijvoorbeeld II nu sterker dan III, hetgeen evenals op het verwante orgel van de Mozes en Aäron in Amsterdam nooit het geval is geweest en in de Mozes ook na de jongste restauratie niet het geval is. De orgelbouwer schrijft op 20 aug. 2005 "Thans is bij de 8'-grondstemmen de onderlinge, oplopende sterkteverhouding Reciet Expressief → Positief Expressief [....] weer hersteld" ; er was echter    niets te herstellen.
Ik verzoek u te bevorderen dat de aangebrachte wijzigingen van het karakter van het orgel ongedaan worden gemaakt en er op toe te zien dat de orgelbouwer zich in de volgende restauratiefase beperkt tot wat hem opgedragen is, namelijk het restaureren van het orgel.
   Met vriendelijke groet, dr. Thijs Kramer

In het editiecommentaar bij deel 4 van de orgelwerken van Cor Kint schreef ik onder Orgels uit Kints Amsterdamse tijd, 1906-1940 (p. xxxi) : "Het Adema-orgel in de Amsterdamse Willibrordus buiten de Veste is in 1923 ingespeeld, ofschoon toen nog lang niet alle registers geplaatst waren. [...] Dit orgel, na de afbraak van de Willibrord sinds 1971 in de Kathedrale Basiliek van Sint Bavo in Haarlem, leende zich afgezien van de pneumatiek (in 1971 door electropneumatische tractuur vervangen) uitstekend voor Kints werk van na 1922, na completering niet minder voor Kints eerdere grote werken, door dispositie en intonatie, de zweltreden voor II en III, de balans tussen de werken. Bij de recente 'restauratie' is in de zomer van 2005 het klankbeeld van I, II en pedaal geruïneerd, zijnde tweederde van dit instrument, dat ondanks zijn beschermde status vogelvrij blijkt te zijn (decibellen, no nonsense). Het bestuur van de Stichting tot behoud van het Willibrordorgel - behoud van met name de klank - was vanuit den Haag en uit eigen kring gewaarschuwd, maar is te laat en halfslachtig in actie gekomen. Op herstel ('terugrestaureren') is geen reëel uitzicht. De overgebleven bestuursleden zullen de Stichting wel opheffen en dan ... Wat rest zijn platen, cd's, herinneringen. [...] Intussen zal menigeen geloven dat de genoemde orgels klinken zoals ze behoren te klinken. Slechte zaak voor de educatie van orgelstudenten en luisteraars, kortom voor de orgelkunst.

Ik bezit het een en ander, maar over een geordend SWO-archief, houdende brieven, e-mails, notulen en excerpten daarvan, chronologisch gerangschikt uit de betreffende periode beschikt de heer Hans Evers : J.G.J. Evers, Jacob Melkmanstraat 28, 1063 GM Amsterdam, 020 6148554, jgj.evers@hccnet.nl

Ik word 69 jaar, werk nog hard, maar heb in de loop van de laatste jaren onprettige of tijdverspillende, uiteindelijk nutteloze werkzaamheden (SWO) verruild voor prettigere en beter renderende. Alleen als van Eck en van Baekel van dit project afgehaald zouden worden, zou ik mogelijk nog iets voor het instrument kunnen betekenen.

Bij wijze van p.s. : het transeptorgel uit de Willibrordus is in Laren naar mijn mening niet als "reconstructie" bedoeld, maar als nieuw orgel, onder gebruikmaking van pijpwerk en speeltafel van het transeptorgel, waarvan de hanglamp boven de speeltafel, de buitenzijde groen-, de binnenzijde witgelaagd, de laptop waarop ik nu tik beschijnt.

Met vriendelijke groet en dank voor uw aandacht,
Thijs Kramer

Wordt waarschijnlijk niet vervolgd.

- - -- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

9 - 11 - 2007

Geachte heer Eickhoff,

uw artikel in Historisch Tijdschrift Holland, themanummer Vervalsen in Holland, heb ik met verontwaardiging gelezen. Ik zal u zeggen waarom..

De "Castricummer dorpsonderwijzer" M. Kramer die u ten tonele voert heeft nooit bestaan. M. Kramer is niet in Castricum geboren, hij heeft er nooit gewoond, heeft nooit als onderwijzer op een Castricumse school gestaan en behoorde niet tot de "Castricumse notabelen". Hij heeft een artikel Heeft te Castricum een Romeinsch kasteel gestaan? geschreven, maar het verscheen niet "in 1928". Zijn vermoeden dat zich nabij Castricum een romeinse fortificatie bevonden zou kunnen hebben en zijn bepleiten van nader (deskundig) onderzoek kunnen niet aangeduid worden met "Kramers theorie", het gaat hier om een hypothese. Bij Kramer had een vermoeden postgevat, hij schreef erover in het bewuste kranteartikel ; daarin noemde hij de gronden waarop hij zijn vermoeden baseerde, waarbij hij de nodige reserve in acht nam (gebruik van de conditionalis, vraagtekens aan het eind van zinnen, 'mijns inziens', 'wellicht'), en er op wees dat het uitgestrekte terrein van Kronenburg - "voor zoover ik weet nooit opzettelijk onderzocht" - "wellicht nog een rijkdom van aanwijzingen bevat". Vervalst heeft hij niets.
Hij niet, nee. In Historisch Tijdschrift Holland heeft u mijn grootvader Matthijs Kramer een vervalste levensloop aangemeten. Dat er een gedrukte of geschreven bron bestaat waaruit u een en ander geput zou hebben is op zich al uiterst onaannemelijk,> bovendien zou die bron ongetwijfeld in een van uw voetnoten vermeld zijn ; mijn "theorie" is dus dat u uitgaande van eigen of andermans niet gecheckte misvatting e.e.a. verzonnen heeft. U heeft Kramer bovendien wensdenken aangewreven. U heeft hem ervan beticht lokaal chauvinisme op de dorpsschool te zaaien en in de kring der notabelen aan te wakkeren. Deze nonsens staan afgedrukt in een themanummer dat nota bene Vervalsen in Holland als overigens goedkope, ordinair misleidende want de lading niet dekkende titel voert. Uw artikel bevat geen enkel citaat van een schoolkind, een notabele of een dorpsschoolmeester waaruit wensdenken betreffende Castricums historie blijkt.
Tenslotte, wie of wat u ertoe bewogen heeft zich vanaf uw wetenschappelijke, door veertig voetnoten ondersteunde troon neerbuigend vrolijk te maken over een verblinde naïeveling in Castricum is mijn zaak niet. Mijn zaak is wel dat ik u in overweging geef uw artikel in Historisch Tijdschrift Holland te herroepen.

Ik noteer nu wat correcte gegevens en aanvullende opmerkingen, post festum, maar u zou er een half oog aan kunnen wagen. Mattheus Kramer werd geboren op 12 oct. 1875 te Assendelft als zoon van Theodorus Kramer (zich noemende en schrijvende Teodoris) en Johanna Cornelisse, die op 28 april 1872 gehuwd waren. Mattheus werd in huiselijke kring Thijs (Tais) genoemd, buitenshuis Matthijs, als nom de plume gebruikte hij M. Kramer. Tot zijn huwelijk woonde hij in Assendelft bij zijn ouders op de boerderij Veld en Dorpzicht. Via lessen bij 'skoolmeester' van Daalen, die 'om de zuijd' woonde, behaalde Kramer de onderwijzersakte. Hij kreeg een aanstelling op de Gemeentelijke Lagere School te Uitgeest. Daar leerde hij Anna Mooij (*1880) kennen, dochter van Johannes Mooij (van 1888 tot 1918 burgemeester van Castricum) en Cornelia Kuys. Op 10 April 1902 trad hij met haar in het huwelijk. De jonggehuwden betrokken een woning aan de Tweede Atjehstraat in Amsterdam, waar Matthijs begon als onderwijzer aan de Lagere School 110 aan de Zeeburgerdijk, om later tot hoofd van de Wagenaarschool aan de Eerste van Swindenstraat benoemd te worden. Tevens is hij kerkmeester geweest van de Gerardus van Majellakerk aan het Ambonplein. Rond 1930 verhuisde hij naar de Hoogeweg in Amsterdam Watergraafsmeer. Hij overleed op 27 jan. 1937. In het blad Buiten, in de Kennemer en Zaanse streekbladen verschenen van Kramers hand verscheidene artikelen die vaak een folkloristische inslag hebben en getuigen van zijn liefde voor land en bevolking. Talrijke artikelen zijn in andere bladen en tijdschriften te vinden. Ook schreef Kramer drie jeugdboeken en een boek voor volwassenen, te weten : - Sloffie of het geheim van den Driehoek, Kemink en Zoon, N.V., over den Dom, Utrecht, z.j. [1931]. Voor de jongere jeugd. - Gerrit van Doorn of de avonturen van een jongen botanicus. Bij de tweede druk is de titel verkort tot Gerrit van Doorn. Beide drukken bij Van Holkema en Warendorf's U.M., Amsterdam z.j. Voor de oudere jeugd. - Fernando Malini, de jongen uit den woonwagen. Eerste druk bij N.V. G. B. Van Goor Zonen's U.M., den Haag z.j. Tweede druk verscheen posthuum als bekroond jeugdboek bij dezelfde uitgever in 1954. Voor de oudere jeugd. - De veldslag bij Castricum in 1799 - Weken van angst. Eerste druk Uitgave Castricumsche Drukkerij N.V., z.j. Tweede druk 1972 ("onbewerkte en ongecorrigeerde heruitgave", gedrukt door drukkerij Huisman b.v. te Zaandam). Voor volwassenen en oudere jeugd. Zijn historische en botanische interessen bleven zich onverminderd richten op zijn geboortestreek Kennemerland, in bredere zin op Noordholland boven het Noordzeekanaal, getuige de meerderheid van zijn pennevruchten. Ook was hij folkloristisch en taalkundig geïnteresseerd en actief, dit laatste zo te verstaan dat Kramer zijn artikelen over gebruiken en zeden van de Kennemers veelal in dialect schreef. Een artikel van Kramer uit 1908 in Buiten, waarin voor 't eerst de aandacht werd gevestigd op het ongerepte veengebied de Noorderveen te Assendelft, gaf de aanstoot tot behoud van dat natuurgebied, na de redding van het Naardermeer het tweede succes van wat we nu de natuurlobby zouden noemen. Meerdere beschouwingen over de natuur voor vakman en leek verschenen in het tijdschrift van Hermans en Thijsse "De levende natuur". In die tijd waren originele zelfstandig denkende geesten nodig om een verandering te bewerkstelligen van de mentaliteit die de natuur als natuurlijke vuilstortplaats beschouwde, die monumenten van stedebouwkunst 'gewoon' sloopte etcetera. Franz Liszt schreef, na met zijn concertvleugel in de trein jarenlang op tournee Europa doorkruist te hebben, reeds dat hij het liefst in Zwitserland verkeerde, in andere landen vond hij de industriële verwoestingen van land en stad steeds deprimerender worden. In dit licht moet gezien worden Kramers ijveren voor het opsporen en conserveren van bovengrondse en ondergrondse bodemschatten als historisch erfgoed, zoals zijn onderzoek naar eventuele resten van Romeinse bebouwing in en rond Castricum waarvoor hij Dr. Holwerda wist te interesseren, en de mede door hem gestimuleerde eerste opgravingen nabij de oude abdij te Egmond, 1933-36, waarvan tekeningen die hij ter plaatse vervaardigde nog getuigen. Hierbij speelde Holwerda geen rol, voorzover mij bekend. Ook de vier gebroeders Cornelisse te Dorregeest bij Uitgeest, neven van hem, groeven op hun land naar sporen van vroegere bewoners. Arie Cornelisse, die 60 jaar lang organist van de R.K. kerk in Uitgeest is geweest, moet ooit samen met zijn neef Matthijs Kramer Kronenburg bezocht hebben.
"Martijn Eickhoff speurt naar de motieven van Meester Kramer, de dorpsonderwijzer en amateurarcheoloog die Castricum een Romeinse oorsprong wilde toeschrijven", zo luidt een reclame-zinnetje (curs. T.K.). - Het speuren heeft u nagelaten, daarover kunnen we kort zijn. - ". wilde ." moet vervangen worden door "die het sterke vermoeden had dat nader onderzoek zou kunnen uitwijzen dat .". - U duidt Kramer aan als amateurarcheoloog, gezien de context niet vleiend bedoeld ; zou u de onderwijzer Jac. P. Thijsse kleinerend als amateurbioloog durven aanduiden? Dat Kramer begeesterd was door zijn vondsten en zijn casus aan een officiële instantie (Holwerda) voorlegde is nogal begrijpelijk, zeker gezien de importantie van het Kronenburgterrein waarin hij niet op eigen gezag (en op wiens kosten?) kon of wilde laten graven. Even enthousiast was hij wanneer hij een vindplaats van zeg eens de blauwe zeedistel ontdekt meende te hebben en Thijsse ervan in kennis stelde. Te spreken van wensdenken of vooringenomenheid doet Kramer geen recht. Men kan met even veel of even weinig recht degenen die zich voor het behoud van Naardermeer en Zuiderzee inspanden van vooringenomenheid betichten. Ondergetekende heeft in 1988 het sinds 1895 als spoorloos te boek staande manuscript van de Erstfassung van Mendelssohns oratorium Elias na een speurtocht in Engeland teruggevonden, ik was vooringenomen, beoogklept en gevoed met een gezonde portie wensdenken, verzamelde aanwijzingen en kon het handschrift localiseren, waarna ik het stuk met een subsidie van het PBF op 4 april 1992 in het Amsterdamse Concertgebouw in wereldpremière gaf. Het manuscript ligt nu veilig in de stadsbibliotheek in Birmingham. Ik bedoel maar. "Hij verrichtte een onderzoek naar eventuele resten van Romeinse bebouwing" (omslagtekst van Kramers boek De veldslag bij Castricum, tweede druk). Zo zagen zijn kinderen het, en hijzelf, en ik, die de oudere generaties onder wie zijn weduwe erover hoorde vertellen. "Martijn Eickhoff speurt naar de motieven ...". Uw psychologiserende benadering van de dorpsonderwijzer (in feite : het spelen op de man) van wie u alleen een artikel uit 1926 en een paar brieven aan Holwerda kent, slaat nergens op. Voor speculaties over naief wensdenken ("Bij de dorpelingen zal Kramer ...", zal, ja, dat zal best, zo vult Privé zijn bladzijden ook) van deze localo die geen localo was, over een door u bedacht en opgeblazen streven Castricum aan een roemrijk verleden te helpen, over een tragisch failliet van een "theorie" die een grote persoonlijke teleurstelling voor mijn grootvader "moet" zijn geweest (moet, ja, dat moet wel, Story moet ergens van bestaan), zijn noch mondelinge noch schriftelijke aanknopingspunten in de familie overgeleverd of uit externe bronnen bekend. Teleurgesteld was hij, ja, in Holwerda. Kramer was het type van de schrijvende onderzoeker, hij verzamelde gegevens, determineerde, inventariseerde, en schreef artikelen waarin hij de lezers informeerde en enthousiasmeerde, zeg maar aan volksverheffing deed, zoals bijv. ook het Nieuwe Bouwen van de Klerk, Greiner en anderen een idealistische component had. Hij was een nieuwsgierig iemand die zijn ogen open had, juist ook voor datgene wat voor iedereen zichtbaar was maar toch veelal onopgemerkt bleef, juist ook voor de toen al aangevangen vernieling van Nederland, iemand van wie een zoon een proefschrift schreef getiteld De Ilias als Vredesgedicht, geen onderwerp voor een classicus die met de heersende wind meefietste. In 1926, het verschijningsjaar van genoemd artikel, woonde en werkte Kramer in Amsterdam, hij gaf geschiedenisles aan de hand van zelfgetekende groot formaat landkaarten. Ik bezit er zo een, waarop de limes keurig van Lugdunum Batavorum over Castra Vetera naar Colonia Agrippina loopt. Castricum of Castellum Flevum staan er niet eens in kleine letters op. Met de door u veronderstelde indoctrinatie van zijn leerlingen viel het in Amsterdam dus wel mee, en de Castricumse kinderen hebben de man nooit voor de klas gehad. Uw fantastische alinea op pag. 208 "Bij de dorpelingen zal Kramer ..." enz., mist derhalve elke grond. Mogelijk was rond 1926 in Castricum een schoolmeester werkzaam die de 'Castratheorie' uitdroeg, maar u heeft niet uitgezocht of dat het geval is geweest en wie dat dan wel was ; Matthijs Kramer was het in elk geval niet, de alinea is dus een fantasieproduct. Überhaupt voert u geen enkel schriftstuk uit die jaren op waarin een trotse notabel visioenen over een Romeinsch Castricum ontvouwt. Uw bewering dat de Romeins klinkende naam Castricum Kramer op het idee had gebracht wordt door Kramer zelf in zijn artikel ontkracht. Hij was een belezen man die een flinke verzameling boeken over Kennemerland bezat, Hofdijk en Ottema grondig kende en in zijn artikel o.a. citeerde : "Ottema wil, dat de naam Castricum herinnert aan Castrum Flevum [...]". U kunt toch wel lezen? De neerbuigende toon jegens de dorpsschoolmeester in uw artikel doet, meer dan u lief zou moeten zijn, denken aan 'auteurs' van bedenkelijk niveau als Mathijs van Boxel (Encyclopedie der domheid), die niet uitblinkt in verificatie van wat hij over anderen te berde brengt, wie er weinig aan gelegen is voldoende en relevante informatie evenwichtig te selecteren en nuchter te presenteren. Kortom, een product van het nieuwe Leuke Afzeiken, waarbij de lezer zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de encyclopedist dommer is dan ettelijke van zijn slachtoffers.

Over Hofdijk gesproken, deze schreef in 1874 "Achter gintsch hoog- opgaand hout, noordelyker, denk ik my de bouwvallen van het oude castra". Kramer citeert hem en last een verduidelijking in : "Achter gintsch hoog opgaand hout noordelijker (dan het Huldtooneel bij Heemskerk) denk ik mij .". U citeert Hofdijk maar last Kramers verduidelijking in met uw initialen erbij : "Achter gintsch hoogopgaand-hout noordelijker (dan het Huldtooneel bij Heemskerk. M.E.) denk ik mij .". Commentaar overbodig.

U maakt melding van nieuw onderzoek aan het eind van de 20ste eeuw, en roept dusdoende de onvermijdelijke vraag op : gold na het "hoge bezoek" (door u zo aangeduid) van Holwerda in 1931 Holwerda locuta, causa finita ? Vanwaar deze witte vlek in uw verslag? Heerste er tussen 1931 en eind 20ste eeuw totale stilte rond het zo waardevolle Kronenburgterrein, of ....? Overigens : ik vrees dat Kramer het archeologisch potentieel van deze site, waarvan 28 ha. in 2003 door GS als eerste provinciaal archeologisch monument zijn aangewezen, tenminste zo goed kon inschatten als zijn hoge gast tijdens diens bliksembezoek, of het nu om Friese of Romeinse relicten ging. Ik denk ook dat hij minder dan u suggereert onder de indruk van het "hoge bezoek" is geweest.

Een man van zijn verdiensten, op zijn leeftijd, die geen vreemde was in de Nederlandse plantkundige en archeologische wereld? Staar u niet blind op de obligate beleefdheden, de plichtplegingen, de overdrijvingen in zijn correspondentie ; de omgangsvormen van toen zijn niet met de hedendaagse losheid te vergelijken. Kramer trachtte Holwerda over te halen en was verder his own man.. De plaatsnaamherleidingen van Ottema en zovele anderen (die door Kramer serieus genomen werden, maar wij waren er niet bij om hem dat af te raden) kunnen goeddeels onzin genoemd worden, maar Holwerda is andere koek ("Holwerda die het allemaal zo goed bedoelde, maar er oh zo vaak naast zat", Delahaye), het spijt me, hij was geen archeoloog, zijn optreden is bij tijden rampzalig geweest en hij zou honderd keer beter dan M. Kramer in Vervalsen in Nederland op zijn plaats geweest zijn. - Er is niet-destructief onderzoek verricht in Castricum. Meer onderzoek zal volgen, met moderne methoden. De mogelijkheid dat resten van een Romeinse fundering aangetroffen worden lijkt mij klein, maar zou niet op voorhand uitgesloten mogen worden, in weerwil van Holwerda's judicium en uw eigen stellige mening.>

Met vriendelijke groet, Thijs Kramer

———————

n het REGISTRUM MEMORIALE van de pastoor van de Willibrordus buiten de Veste staan een paar passages die ik even onder de loupe neem. Het gehele 'dagboek' bevindt zich in het A'dams Stadsarchief. Ellen Klomp trof het daar op 31 juli 2019 aan. Ruim een halve eeuw na dato las ik hoe ik in een machtsstrijd gebruikt was.
    Men dient te weten dat de Willibrord een goed jongenskoor had, dat niet alleen in de kerk zong, maar ook meewerkte aan producties van de Nederlandse Opera (La Bohème, Faust). Het jongenskoor werd geleid door Rie Vranken. Toon, haar echtgenoot hield zich meer met het mannenkoor bezig en dirigeerde tijdens de zondagsmissen het geheel, merkbaar gesterkt door een geestverheffend ochtenddrankje. Men had daar zo zijn bedenkingen over - ik ook - maar Rie bleef achter Toon staan. De manier waarop zij het koor bijelkaar hield verdient respect.
   De pastoor schrijft “Mij werd verzocht aan het Kerkbestuur te vragen de heer Vranken te ontslaan en een nieuwe diirigent aan te stellen”. Leden dreigden weg te lopen. De pastoor (voorzitter van het koorbestuur (zo was dat in die dagen) werd boos omdat hij overal buiten gehouden was en nu door Eskes c.s. als pion gebruikt werd, pakte de kwestie zakelijk aan, oriënteerde zich, ontbood Eskes weer en vroeg hem ten slotte “hoeveel leden er precies zouden heengaan. Deze antwoordde : zeker 15.” In een .volgend gesprek zette Eskes zijn argumenten kracht bij met de bewering “dat men de heer Thijs Kramer al gevraagd had dirigent te worden.” Bij de (geheime) stemming die de pastoor vervolgens liet houden bleek dat er 4 koorleden niet langer bij Vranken wilden zingen. Exit Eskes, ofschoon de man op een afstandje bleef stoken.
    *Nu heeft niemand mij gevraagd dirigent van het Willibrorduskoor te worden maar als de vraag gesteld was zou ik 'nee' gezegd hebben. Immers, ik was organist op een prachtig orgel. Zou ik die overzichtelijke en dankbare functie ruilen voor het dirigeren van een minder dan middelmatig mannenkoor, waardoor ik veel tijd kwijt zou raken aan repetities - ook met het jongenskoor - en vergaderingen en organisatorisch gedoe ? Ik studeerde aan de universiteit, nam privé-pianoles om mijn techniek te verbeteren, had leerlingen, gaf concerten enz. Van rumoer in het koor of van de actie van Eskes heb ik niets gemerkt, maar wel was duidelijk dat ik een andere baan moest zoeken omdat de kerk niet lang meer overeind kon blijven. Het kerkbezoek liep zienderogen terug, de inkomsten van de toch al noodlijdende kerk dus ook, en er viel soms een lei of een brokje steen uit de koepel.
   “[...] Per 1 november [1964] heeft de organist Thijs Kramer zijn ontslag gevraagd als organist van onze parochie. [...] Waarschijnlijk heeft hij een rol gespeeld in de koorkwestie, maar dan een heel minne. Het was aanlokkelijk om zelf hier dirigent te worden en een leerling het orgel te laten bedienen. Deze opzet is echter mislukt.”
   *Ach, beste pastoor. Toch teveel naar Eskes geluisterd die zich - vermoed ik - vrij probeerde te pleiten door Kramer als aanstichter naar voren te schuiven. Die wilde immers zo graag dirigent worden ?

image.png