Thijs Kramer

Muziek

★HYMNE VOOR VIOOL EN ORKEST -- Cor Kint
CD Marcel Dohmen, viool, Randstedelijk Begeleidings Orkest
o.l.v. Thijs Kramer
Hoestekst van de tweede oplaag.
Cornelis (Cor) Kint (* 9 jan.1890, † 8 juli 1944) woonde en werkte tot 1906 in Enkhuizen, tot 1940 in Amsterdam, en van 1940 tot zijn overlijden in Hilversum. In 1922 huwde hij Jansje (Jenny) Couperus (* 1898 te Bolsward). Kints vootouders woonden al eeuwen in Enkhuizen.
Begonnen als een soort wonderkind was hij vroeg rijp. Van 1-9-1909 tot 1-9-1915 speelde Kint als altist in het Concertgebouworkest onder Mengelberg. Daar maakte hij Mahler (VII, 1909) en Strauss (1915) mee als dirigent van eigen werk, en zat een paar stoelen van Rachmaninoff vandaan toen deze in 1911 zijn Derde Pianoconcert speelde. Van 1911 tot 1922 was hij altist in het mede door hem opgerichte Concertgebouw-Quartet, dat na een jaar onder de beroemd geworden naam Hollandsch Strijkkwartet verder ging. Met uitzondering van de oorlogsjaren, 1914-1918 maakte het tournées door West- en Middeneuropa met inbegrip van Skandinavië en enkele zuidelijke landen. In 1923 verruilde Kint dit reizend bestaan voor een positie als leraar aan het Amsterdamsch Conservatorium voor viool, viola en viola d'amore. Vooral met dit laatste instrument bleef hij solistisch optreden; ook gaf hij in de 30er jaren bij Duitse uitgevers tientallen 18e-eeuwse werken voor viola d'amore uit. In 1912 speelde hij bij het Concertgebouworkest o.l.v. Evert Cornelis een altsolo (in Berlioz' Harold in Italie?). In 1913 voerde hij met hetzelfde orkest o.l.v. Cornelis Dopper zijn eigen "Concert voor Alt-viool en orkest" uit. Hij schreef o.m. twee strijkkwartetten, een suite voor strijkorkest, een blazerskwintet en liederen.
Zijn belangstelling voor het orgel markeerde het hoogtepunt van zijn scheppende leven in de jaren 1913-1917, met grote orgelwerken als de onuitgegeven Grande Sonate (1914) en de gedrukte Fantasie over Een vaste Burg (1915), waarmee hij zijn naam heeft gevestigd, en die altijd repertoire heeft gehouden.
    Ofschoon succesvol in zijn carrière als uitvoerend en scheppend kunstenaar begon het al voor 1920 tot hem door te dringen dat hij als niet-avantgardecomponist niet meetelde in het Nederland van Willem Pijper en Sem Dresden. Maar op de weg van Stravinsky en Schönberg wilde hij niet meegaan. Ook had hij vermoedelijk naar zijn eigen gevoel het einde bereikt van zijn ontwikkeling in het Westerse toonsysteem. In 1921-22 maakte Kint een crisis door. Binnen de traditionele harmonieleer had hij sinds ca. 1912 nieuwe expressiemogelijkheden gevonden, die hem een tijdlang een eigen niche verschaften in het vaderlandse componeren. Over de "prachtige harmonieën" van Kint werd gesproken door de bewonderaars die zijn composities en improvisaties kenden: leerlingen, concertbezoekers en de weinige organisten die zijn Vaste Burg konden spelen. Een groot publiek bereikte hij dus niet.. De overbescheiden componist kreeg zijn Grande Sonate – waarvan het eerste deel de Vaste Burg naar de kroon steekt – niet uitgegeven, ander werk voorzag hij niet eens van een opusnummer en gaf het niet op aan BUMA. – Na 1922 nam zijn produktie sterk af, en de geïnspireerdheid van zijn eerdere werk is eigenlijk alleen nog te vinden in de kleinere orgelwerken Prélude pastoral (1925, nog steeds veel gespeeld) en Fuga over b-a-c-h (1935, in 2006 bij Boeijenga uitgegeven). En in de bewerking van zijn Hymne op. 8.
    Deze Hymne uit 1915 (uitgegeven 1917 bij Seyffardt) is zo niet zijn chef-d'œuvre, dan toch een van zijn mooiste werken. Oorspronkelijk geschreven voor viool en orgel (of harmonium), werkte Kint in 1938 de Hymne om voor viool en orkest (onuitgegeven, pas eind 2008 bij Boeijenga verschenen). Die partituur geeft ons enig idee van de manier waarop Kint de begeleidende orgel- / harmoniumpartij gespeeld wilde hebben. Maar tevens is bekend uit interviews met oud-leerlingen die de Hymne studeerden en op les door Kint op piano of vaker op harmonium begeleid werden, dat Kint het betrekkelijk eenvoudige accompagnement speelde alsof het een echte orgelpartij of een klavieruittreksel was, kortom, hij waardeerde het accompagnement op tot een volwaardige partner van de solistische vioolpartij met behulp van de ‘trucs’ die een ervaren en handige begeleider in zijn arsenaal heeft.
    Gerard Mulder (concertmeester van het Orkest van de Omroep, evenals Kint leraar aan het Amsterdamsch Conservatorium) zou met Egbert Veen op Zorgvlied de Hymne bij Kints begrafenis spelen. Maar door stroomuitval o.i.d. kon het orgel niet bespeeld worden. Een harmonium te laten bezorgen of snel ergens te te ‘organiseren’ in Amsterdam-Zuid had te veel oponthoud en onrust met zich meegebracht, oordeelde men. Kint is op 13 juli 1944 zonder zijn Hymne begraven. Zijn nagelaten werken liggen in het Westfries Archief te Hoorn.
    Deze opname werd gemaakt tijdens een concert van de Nederlandse Händelvereniging op 7 oct. 2006 in de Grote Kerk te Naarden door Marcel Dohmen viool en RBO Sinfonia o.l.v. Thijs Kramer.
Geluidstechniek Wim Passchier.

TOCCATA  --  Thijs Kramer  
Opname van Thijs Kramer uit 1990 op het Willibrordusorgel St. Bavo Haarlem. Toccata uit Kramers orgelsymphonie 'Media Vita'.
De orgelsymphonie Media Vita voor orgelsolo werd in de jaren 1984/1985 geschreven. De gregoriaanse melodie 'Media Vita' kan ad libitum na deel IV gezongen worden. De Toccata, het eerste deel, ontstond rond 1970 (evenals fragmenten uit de andere delen). De komponist/organist was destijds van mening dat hij het stuk onvoldoende beheerste en bracht het derhalve niet in de openbaarheid. Hij beperkte zich tot twee uitvoeringen : ter gelegenheid van de inhuldiging van het Willibrordorgel in de St. Bavo Basiliek in Haarlem op 21 maart 1971, en tijdens een televisieopname van de NCRV uitgezonden op 18 januari 1972.

CANTIQUE DE JEAN RACINE  --   Fauré
Vocoza o.l.v. Frank Hameleers / Thijs Kramer piano
Opname van 8 oct 1985, Kleine Zaal Concertgebouw Amsterdam.

SONATE (der 94. Psalm)  --   Julius Reubke
Opname van Thijs Kramer uit 1968 op het Willibrordusorgel te Amsterdam.
Julius Reubke is geboren 23 maart 1834 te Hausneindorf en gestorven op 3 juni 1858 in het kuuroord Pillnitz bij Dresden...Hij schreef een hemel-, hel- en orgelbestormend stuk onder de vredige titel : Sonate (der 94. Psalm) für Orgel. Voorwaar een understatement ! De spanwijdte der emoties - emoties jazeker, bevinden wij ons niet in de 19e eeuw ? - ligt in de orde van een Manfredsymphonie van Tschaikowsky. En dan te bedenken dat de componist nauwelijks 24 jaar oud is geworden ...
Anders dan verscheidene scheppingen van zijn leermeester Franz Liszt of b.v. de Grande Pièce Symphonique van César Franck, is dit lange orgelwerk zeldzaam coherent. Zoon van een orgelbouwer, had Reubke de gelegenheid van bepaalde nieuwe franse speelhulpen (de tong- en vulstemmenafsluiters bijv.) op de hoogte te zijn, en de komende technische verbeteringen in de orgelbouw te voorzien.
Want hoewel Reubke's "lay out" aanwijsbaar erop gericht is de organist mee te laten registreren, doen de registratiemoeilijkheden eigenlijk niet onder voor de speeltechnische, in dit moeilijkste orgelwerk der 19e eeuw.

  .   .   . Citaat van de Gedenkplaat Sint Willibrordus Orgel - Amsterdam. ("de zwarte plaat").

Reubke, al aangetast door TBC, speelde op 17 juni1857 de première van zijn chef d’oeuvre nog zelf, op het nieuwe Ladegast orgel in de Domkirche te Merseburg. De uitvoering werd geestdriftig besproken door Karl Franz Brendel, toen hoofdredactteur van Die Neue Zeitschrift für Musik. Dit was de enige bespreking van zijn chef-d'oeuvre die Reubke tijdens zijn korte leven ten deel viel. Ook later is er weinig over geschreven, het lag niet in de markt, immers, wie kon het spelen? "Men kan onmogelijk twijfelen aan zijn buitengewone gaven als uitvoerder en componist." Maar door het hele werk heen vallen de originaliteit, de frisheid van zijn ingevingen en vooral de tomeloze erergie waarmee hj de sonate voortdrijft, dermate op, dat volgens de overlevering een toehoorder opmerkte : "Jetzt hat der Schüler den Meister erschlagen".

MARCHE TRIOMPHALE  --   E. Nieland
Opname van Thijs Kramer uit 1968 op het Willibrordusorgel te Amsterdam.
Jan Nieland (1903-1963) was de eerste organist van het grote Willibrord-orgel. Marche Triomphale, een van zijn beste stukken. Merk op hoe natuurlijk het thema van het middendeel door omkering uit het thema van het eerste deel ontstaat. De fluitsolo wordt gespeeld op de Fluit Harmoniek 4' van het 3e manuaal (III).

TOCCATA  --   E. Gigout
Opname van Thijs Kramer uit 1968 op het Willibrordusorgel te Amsterdam.
Eugène Gigout (1844-1925), leerling van Saint-Saëns, schreef een Toccata waarin het thema (voornaamste bestanddeel : een dalende terts) steeds in een andere gestalte uit de klankenstroom opduikt. Na een sterk modulerende ontwikkeling met behulp van de dalende terts verschiijnt het in zijn laatste, meest geëvalueerde gedaante. De Toccata is, hiermee samenhangend één groot crescendo.

LA PROCESSION -- C. Franck
Martha Zandvliet zang, Thijs Kramer op het Willibrordusorgel te Amsterdam. Opname uit 1968.
Zowel in het onsterfelijke Panis Angelicus als in het niet minder schone La Procession heeft César Franck zijn melodieën in een contrapunctische zetting gevat. Is het in Panis Angelicus een eenvoudige canon, in La Procession ontvouwt zich in de begeleiding een fuga-expositie ! Het gregoriaanse Lauda Sion heeft Franck de muzikale bouwstoffen geleverd voor La Procession ; het is een klein wonder van vormgeving en tekstuitbeelding geworden. De eerste regel van Lauda Sion wordt gespeeld door de Fagot-Hobo van III, terwijl de inleiding van het stuk de strijkers van II tot en met de 2' laat horen.

FUGE over B-A-C-H  --  Cor Kint
Opname van Thijs Kramer uit 1990 op het Willibrordusorgel St. Bavo Haarlem.
Cor Kint (1890-1944) werd geboren op 9 januari 1890 te Enkhuizen en overleed op 8 juli 1944 te Hilversum. Van ca. 1902 tot 1906 was hij organist in 'de Vermaning' in zijn geboorteplaats. In 1906 verhuisde Kint naar Amsterdam, waar hij van 1909 tot 1915 altviolist in het Concertgebouworkest en later leraar aan het conservatorium was. In 1940 ging hij bij de omroep werken. Kint was een van de oprichters van het Hollandsch Strijkkwartet (1912). Hij schreef rond 1935, toen Bachs 250ste geboortedag herdacht werd, een fuga over de naamletters van de tonen die in Bachs naam besloten liggen : B, A, C en H. Voorzover bekend is deze fuga zijn laatste orgelwerk. Het stuk draagt opusnummer 41.
Zie de website over COR KINT.

Kommst du nun, Jesu, vom Himmel herunter  --   J, S. Bach
Opname van Thijs Kramer uit 1984 op het orgel van de Petruskerk te Leiden.
Rond 1746 herschreef Bach zes koraalbewerkingen, die in zijn cantates voorkomen, voor orgel, en liet deze kleine verzameling, die met het bekende Wachet auf, ruft uns die Stimme begint, drukken bij Johann Georg Schübler. Men spreekt daarom doorgaans van de 'Schüblerkoralen'. Kommst du nun, vom Himmel herunter, dat het bundeltje besluit, stamt uit cantate 137 (±1725), waar de koraalmelodie door een altstem gezongen wordt op de tekst 'Lobe den Herrn, der Alles so herrlich regieret', met begeleiding van vioolsolo en continuo. Op het Petrusorgel wordt de koraalmelodie op de Schalmei 4' van het pedaal gespeeld.

★TOCCATA uit Symphonie V  --   Ch.-M. Widor
Opname van Thijs Kramer uit 1984 op het orgel van de Petruskerk te Leiden.
Widor's Toccata in F, de Finale van zijn vijfde orgelsymphonie, wordt wel het 'inbegrip van de Toccata' (in modern Nederlands 'de moeder van alle Toccata's) genoemd. In de manualiter openingsmaten met hun aparte harmonieën en akkoordliggingen klinkt reeds het themabegin, dat door het pedaal overgenomen en in zijn geheel uitgespeeld wordt. Na een afwaarts modulerend decrescendo blijft in het intermezzo de toccata-motoriek onophoudelijk de muziek stuwen. Dit uitstapje op de nevenklavieren leidt in een crescendo tot in het hoogste bereik van de toetsen, waarna het pedaalthema weer inzet, nu in zijn meest statige vorm, zonder de naslaande basnoten van het begin.
De toccata gebruikt hier, op het hoogtepunt, de volledige omvang van het orgel van hoog tot laag. Groots afstandelijk als de Mont Blanc is dit visionaire toongebouw. Het ritmische schema van de eerste maat blijft met ijzeren onverzettelijkheid in het gehele stuk gehandhaafd. Maat na maat herhaalt zich hetzelfde patroon, een weergaloos ostinato, een souverein moto perpetuo zonder haast. Geschreven voor de immense ruimten van de Franse kathedralen, lijkt dit muziekstuk zich niettemin in zijn eigen dimensie voort te bewegen, de wetten van een onbekende canon volgend.
Omdat Widor's orgel in de St. Sulpice een topprodukt uit het industriële tijdvak was, een vernunftige machine, is niet uit te sluiten dat Widor in De Toccata machinale kenmerken, zoals het eindeloos uitvoeren van hetzelfde samenstel van bewegingen heeft willen verwerken, en de organist die over een adequate speeltechniek beschikt tot machinist heeft gepromoveerd. Te veronderstellen dat het hier een ode aan de techniek betreft gaat natuurlijk te ver, maar hierin een verklaring te zien voor het feit dat deze muziek enerzijds als ongenaakbaar ervaren wordt en tegelijkertijd de luisteraar bij wijze van spreken van zijn stoel rukt, ligt niet geheel buiten de rede. Monotonie, hier monoritmiek, heeft vaak een bedwelmende maar soms ook een electriserende werking. De uitvoering volgt de eerste druk.

                    Kranteknipsel 1972